Niet elk materiaal kun je zomaar lassen. Of een materiaal lasbaar is, hangt af van eigenschappen zoals het smeltpunt, hoe goed het warmte geleidt en de chemische samenstelling. Metalen zoals staal en aluminium zijn goed lasbaar, maar vragen elk een andere aanpak. Kunststof kun je ook lassen, maar dan met speciale technieken. In dit artikel beantwoorden we de belangrijkste vragen over welke materialen je kunt lassen en hoe je dat het beste doet.
Wat betekent het eigenlijk wanneer een materiaal lasbaar is?
Een materiaal is lasbaar als je het kunt verhitten tot het smelt en vervolgens kunt verbinden met een ander stuk materiaal. Tijdens het lassen smelt je de randen van twee stukken materiaal, waardoor ze aan elkaar vast komen te zitten. Of dit lukt, hangt af van een aantal eigenschappen van het materiaal.
Het smeltpunt is belangrijk. Als een materiaal te snel smelt of juist veel te veel warmte nodig heeft, wordt lassen lastig. Ook de manier waarop het materiaal warmte geleidt speelt een rol. Aluminium bijvoorbeeld geleidt warmte heel snel, waardoor de warmte zich verspreidt en het moeilijker is om een goede lasnaad te maken.
De chemische samenstelling van het materiaal maakt ook uit. Sommige metalen reageren met zuurstof uit de lucht tijdens het lassen, wat de kwaliteit van de lasnaad verslechtert. Daarom gebruik je bij bepaalde materialen een beschermgas dat de zuurstof weghoudt. Wanneer je een lasopleiding volgt, leer je precies op welke eigenschappen je moet letten en hoe je daar mee omgaat.
Welke metalen kun je het beste lassen en waarom?
De meest voorkomende metalen die je kunt lassen zijn staal, roestvrijstaal, aluminium en koper. Staal is het makkelijkste om te lassen, vooral voor beginners. Het heeft een duidelijk smeltpunt, verspreidt warmte niet te snel en reageert niet zo heftig met zuurstof. Daarom beginnen de meeste leerlingen tijdens een lasopleiding met staal.
Roestvrijstaal is ook goed lasbaar, maar vraagt iets meer aandacht. Je moet oppassen dat het materiaal niet te veel warmte krijgt, anders kan het vervormen. Ook moet je schoner werken dan bij gewoon staal, omdat verontreinigingen sneller zichtbaar zijn in de lasnaad.
Aluminium is lastiger omdat het heel snel warmte afvoert en een oxidatielaag heeft die je eerst moet verwijderen. Deze laag ontstaat zodra aluminium in contact komt met lucht. Tijdens het lassen moet je daarom een speciale techniek gebruiken om deze laag te doorbreken.
Koper is ook lasbaar, maar omdat het warmte extreem goed geleidt, heb je veel energie nodig. Dit maakt koper lassen een specialisme dat je leert in gevorderde lascursussen. Voor elk metaal bestaat een beste aanpak, en dat leer je stap voor stap tijdens een complete lasopleiding.
Wat is het verschil tussen het lassen van staal en aluminium?
Het grote verschil zit in hoe beide materialen reageren op warmte. Staal is makkelijker te lassen omdat het warmte langzamer verspreidt en geen lastige oxidatielaag heeft. Je kunt staal lassen met verschillende methoden en het materiaal geeft duidelijk aan wanneer het smelt.
Aluminium is een stuk uitdagender. Ten eerste heeft aluminium die hardnekkige oxidatielaag die een veel hoger smeltpunt heeft dan het aluminium zelf. Je moet deze laag doorbreken tijdens het lassen, anders krijg je geen goede verbinding. Ook geleidt aluminium warmte drie keer zo snel als staal, waardoor je meer vermogen nodig hebt.
Daarnaast smelt aluminium bij een lagere temperatuur dan staal, maar door die snelle warmtegeleiding lijkt het alsof je meer warmte nodig hebt. Dit maakt aluminium lassen verwarrend voor beginners. Je hebt vaak een andere lastechniek nodig, zoals TIG-lassen, waarbij je meer controle hebt over de warmte.
De voorbereiding verschilt ook. Bij aluminium moet je het oppervlak grondig reinigen en ontvet je het materiaal. Bij staal is dit minder kritisch. Wanneer je beide materialen wilt leren lassen, is het verstandig om te beginnen met staal en daarna door te groeien naar aluminium.
Welke lasmethode gebruik je voor welk materiaal?
Voor staal gebruik je vaak MIG-lassen, ook wel semi-automatisch lassen genoemd. Deze methode is snel, efficiënt en geschikt voor verschillende diktes staal. Je gebruikt een doorlopende draad en een beschermgas, waardoor het lassen soepel gaat. Dit is de methode die je vaak als eerste leert.
Voor aluminium is TIG-lassen de beste keuze. Bij TIG-lassen heb je meer controle over de warmte en kun je de oxidatielaag beter doorbreken. Je werkt met een wolfraamelektrode en voegt handmatig vulmateriaal toe. Dit vraagt meer vaardigheid, maar geeft de mooiste en sterkste lasnaden op aluminium.
Elektrodelassen (ook wel stiklassen genoemd) gebruik je vooral voor dikker staal en reparatiewerkzaamheden. Deze methode is robuust en werkt ook in mindere omstandigheden, zoals wind of buiten. Het is minder geschikt voor dunne materialen of aluminium.
Roestvrijstaal las je het beste met TIG of MIG, afhankelijk van de dikte en de eisen aan de lasnaad. Voor mooie, schone naden op dun roestvrijstaal kies je TIG. Voor dikker materiaal waar snelheid belangrijk is, werkt MIG beter. In een goede lasopleiding leer je welke methode bij welk materiaal past en oefen je met alle technieken totdat je ze beheerst.
Het kiezen van de juiste lasmethode hangt dus af van het materiaal, de dikte en wat je wilt maken. Elk materiaal heeft zijn eigen eigenschappen en vraagt om een specifieke aanpak. Door te oefenen met verschillende materialen en technieken bouw je je vaardigheden op en word je een veelzijdige vakman in de lasbranche. Met de juiste opleiding leer je niet alleen de praktische vaardigheden, maar ook waarom bepaalde keuzes beter werken dan andere. Voor meer informatie over lasmogelijkheden kun je contact met ons opnemen.